|
|
Voorgeschiedenis 1920-1929
De jaren 20 van
vorige eeuw waren een periode van uitzonderlijke economische voorspoed.
Belangrijke
innovaties zoals elektriciteit, radio en telefoon, nieuwe werktuigen,
assemblagelijnen
(Ford) verhoogden de
productiviteit, en brachten welvaart en een breed gamma
van nieuwe
producten mee. . Ook
architectuur, cultuur en sociaal leven kenden
een hoge bloei.
Het communistisch experiment in de Sovjet Unie was nog
jong en leek
dank zij de hoogconjunctuur aanvankelijk een
succesverhaal te worden. Velen zagen in het economisch model
gestuurd door "centrale planning" het moderne en
"rationeel
alternatief"
voor de "irrationele anarchie" van de vrije markt. In Europa zowel
als
in de VS stond de economische discussie tussen de socialistisch -
interventionistische school van J.M Keynes en de klassiek
liberale "Oostenrijkse
School" met Von Mises
en Hayek in het centrum
van het politiek
debat.
Goedkoop en
gemakkelijk krediet
Tegen
het einde van het decennium culmineerde de hoogconjunctuur vooral in de
VS in een
algemene euforie die zich uitte in oververhitte prijzen van
bijna alle
activa.
Voorafgaand aan de euforie had een lange periode van lage rente de
geldhoeveelheid snel doen toenemen. De snelle
geldaanwas werd daarenboven
nog aangewakkerd door de
omvangrijke Duitse herstelbetalingen,
waardoor bij de
geallieerden de
geldhoeveelheid veel sneller
groeide dan de reële
economie en de inflatoire druk op de prijzen in Europa en de VS alsmaar opliep.
Dank zij de
toenemende productiviteit bleef de stijging van de consumptieprijzen nog merkwaardig beperkt tussen
1921 en 1929. Het goedkoop
"onverdiend" geld vond vooral
zijn weg naar
investeringsgoederen, en
ontketende een ware golf van ondoordachte
investeringen die achteraf waninvesteringen bleken die weinig rente of
toegevoede waarde opleverden.
Vooral
tussen 1928 en 1929 veroorzaakte de gemakkelijke toegang tot goedkoop
krediet roekeloze speculatie op
aandelen en op activa in
het algemeen,
zodat prijzen werden opgeblazen tot
een onhoudbare "asset
bubble".
In amper 2 1/2
jaar klom de Dow Jones met 230% van 166 in maart' 26 tot 381 in sept '29!
Een
correctie was onvermijdbaar, maar zou veel harder
worden dan nodig als gevolg van katastrofale
overheidsinterventies: in de hoop de
conjunctuur af
te remmen namen de
politieke overheid en
de nog onervaren Federal Reserve (°1913) een reeks erg ongelukkige
anticyclische maatregelen. Met hun interventies
lokten ze een recessie uit
die weliswaar eerst mild leek, maar die gaandeweg zou ontaarden in een
catastrofale
financiële
crisis. De anticyclische
interventies worden op
vandaag meestal als zware overdrijvingen beschouwd. Voor anderen was de
staatsinmenging een regelrechte blunder
die totaal overbodig was.
Politieke Blunders
In een
poging de speculatie
in te dijken, verbood de
overheid eerst bankleningen voor speculatieve transacties ("margin
trades"). De FED van haar kant verhoogde drastisch
haar discontovoet van
3,5% in jan. 1928 tot 6% in aug. 1929 met als gevolg dat de
geldhoeveelheid
totaal onverwacht met
één derde inkromp in nauwelijks
zes
maanden (aug '29 - maart'30). De markt
reageerde heftig. Aandelen en de prijzen van activa storten
ineen, met een drastische inkrimping van de reële economie
voor gevolg.
Om de
versnellende recessie tegen te gaan nam de
Amerikaanse regering vervolgens de ene catastrofale maatregel na de
andere. Eerst verhoogden de VS in een
protectionistische reflex de invoerrechten op
niet minder dan 25.000 artikelen tot een gemiddeld tarief van 65%.
Daarop namen ook de handelspartners beschermende
maatregelen als represaille. De
tariefoorlog die hieruit voortvloeide legde de
internationale handel zo goed als volledig lam met gigantisch
productiviteitsverlies en oplopende werkeloosheid voor gevolg.
Als gevolg van
de dalende belastingsinkomsten en
stijgende sociale aanspraken dreigde een
budgettair tekort. In volle crisis beslistte de
regering van president Hoover dan maar de inkomensbelastingen te
verhogen. Zijn belastingswet
van
1932
verhoogde de hoogste aanslagvoeten in één klap van 25%
tot niet minder dan 63%. Maar daarenboven werden de meeste
belastingsvrijstellingen drastisch teruggeschroefd, wat vooral de
midden-inkomens trof. Roosevelt zou die aanslagvoet later zelfs nog
verhogen tot 79%. Als klap op de vuurpijl liet
Roosevelt in
1933 burgers en ondergeschikte besturen ook hun goudreserves
inleveren. De
goudstandaard als monetair stelsel werd opgegeven, en de dollar
werd drastisch gedevalueerd met niet minder dan 40%. Dit bracht dan
weer een
neerwaartse spiraal
op
gang van concurrerende devaluaties bij de handelspartners over de
hele wereld.
Rechtsonzekerheid
ondermijnt vertrouwen
Naarmate de
crisis verder uitdiepte nam de overheid in steeds sneller allerlei
paniekerige nood- maatregelen. De
snelle opeenvolging en onvoorspelbaarheid van de
overheidsinterventies creëerde een
klimaat van algemene rechts- onzekerheid, wat het al povere
ondernemingsklimaat nog verslechterde. Snel wijzigende
fiscale
regels en subsidieregelingen, regulering van lonen,
prijzen, rente en productie waren allemaal overheidsinterventies die
ondernemers
tot dan niet
hadden gekend en die een algemene
sfeer
van onzekerheid creëerden. Geconfronteerd
met zoveel
onberekenbare risico's verkozen industriëlen dan maar hun
investeringsplannen uit te stellen.
Het was duidelijk niet de vrije markt die faalde. De grote crisis
was rechtstreeks gevolg van goedbedoelde maar daarom niet minder
desastreuze overheidsinterventies. Volledig in de
geest van de tijd was President Hoover
-die trouwens mijningenieur was- ervan overtuigd de economie te kunnen
sturen net als een
machine. In Belgie koesterde Hendrik De Man
met zijn Plan De Man net dezelfde illusies. Maar net als bij
ons draaiden ook in de VS de ene na de
andere interventie uit op
economische
mislukkingen: de handelsvernietigende invoerrechten, de
arbeidsontradende
belastingdruk, het
detaillistisch
dirigisme en de
contraproductieve
regulering van lonen, prijzen en productie. De beperking ook van van de
concurrentie, en de zinloze
vernietiging van oogsten
met de bedoeling landbouwprijzen hoog te houden terwijl in grote delen
van
het land
honger werd geleden. Niet in het minst was het wanbeleid van de FED met
zijn
onverwachte en veel te abrupte inkrimping van de geldhoeveelheid schuld
aan
de crisis.
Catastrofale
gevolgen
De
maatschappelijke kosten van de politieke blunders was gigantisch: de
zwaarste economische crisis in de geschiedenis. 25%
werkeloosheid, aandelenkoersen
die crashten tot 10% van hun hoogtepunt. Inkomens die daalden met 28%,
terwijl de
autoverkoop met 75% terugviel. Banken crashten de ene na de andere en
sleepten honderd duizenden burgers en bedrijven mee in hun
faillissement,
met massaal verlies van spaargeld en bedrijfskapitaal voor gevolg.
Geruchten over opstand
staken dan ook alsmaar vaker de kop
op.
Besluit
Al wie de crisis grondig heeft bestudeerd komt tot dezelfde conclusies.
Murray Rothbard,
Laurence Reed, Stefan Molyneux, Amity
Shlaes zijn
allemaal unaniem dat de grote depressie
geen crisis was van het kapitalisme, maar de crisis van de
nefaste monetaire politiek en van
ongelukkig overheidsingrijpen.
Niet de
vrije markt faalde, maar de politieke en monetaire overheden. Wegens
hun irrationele angst voor deflatie wilden ze ten allen prijze
verhinderen dat lonen en prijzen zouden dalen, en daardoor verhinderde
men dat de markten een nieuw evenwicht vonden. Hun jammerlijk
mislukte
interventies veroorzaakten distorties die massale verspilling
van schaarse middelen veroorzaakten en uiteindelijk de milde
recessie deden ontsporen in een diepe
depressie. De politiek was verantwoordelijk voor het massaal verlies
aan banen, welvaart, spaargeld en
de vernietiging van de levenskwaliteit
van een ganse generatie.
Politici hadden de markten op hun beloop moeten laten en de
sturing van de economie overgelaten aan de collectieve wijsheid van
miljoenen
vrije individuen zoals die ligt vervat
in hun miljarden
weloverwogen economische keuzes. Via
universele wetten van vraag en
aanbod had het
prijsmechanisme in hooguit
een paar
kwartalen de
economie uit het slop kunnen trekken, en gestuurd in de
richting van een nieuw
evenwicht op een
veel stabieler loon- en prijsniveau.
Laurence Reed toont ook op
overtuigende wijze aanaan dat
Roosevelt 's Keynesiaans
- socialistisch beleid
van "deficit
spending" nauwelijks bijdroeg tot stimulering van de vraag omdat veel
laagproductieve publieke investeringen gigantische middelen opslorpten
en daarbij veelal de veel
productievere industriele
investeringen en
private gezinsbestedingen verdrongen.
De
zeer ongelukkige combinatie van Roosevelt's Keynesiaanse "new Deal" met het
detaillistisch (bijna fascistisch) dirigisme van de
"National Recovery Act" hebben de economische crisis van 1929
niet opgelost. In tegendeel. Roosevelt's Keynesiaanse politiek
heeft het
natuurlijk herstel alleen maar jaren uitgesteld... eigenlijk tot
na de tweede wereldoorlog.
Paul Vreymans
More Images of the 1929 Recession here
Cartoons
here


Podcasts on the great
Depression
|
|
Eric
Rauchway - Hosted by Russ
Roberts
Eric Rauchway of
the University of California at Davis and the author of The Great
Depression and the New Deal: A Very Short Introduction, talks
with EconTalk host Russ Roberts
about the 1920s and the lead-up to the Great Depression, Hoover's
policies, and the New Deal. They discuss which policies remained
after the recovery and what we might learn today from the policies of
the past.
|
Listen
tot the streaming audio below.
|
|
 Robert Higgs, of the
Independent Institute, talks with EconTalk host Russ Roberts about the
Great Depression, the New Deal, and the effect of World War II on the
American economy. Using survey results, financial data, and the pattern
of investment in the 1930s, Higgs argues that New Deal policies created
a climate of uncertainty that prolonged the Great Depression. Using
consumption data, he argues that prosperity did not return during
wartime, but rather after the war when government intervention in the
economy subsided.
Listen
tot the streaming audio below.
|
The
forgotten Man 
A
New History of the Great Depression
Amity Shlaes,
Bloomberg columnist and visiting senior fellow at the Council on
Foreign Relations, talks about her new
book, The Forgotten Man: A
New History of the Great Depression. She and EconTalk host Russ Roberts
discuss Herbert Hoover, Franklin Delano Roosevelt, the economics of the
New Deal and the class warfare of the 1930s. Amity
Shlaes uncovers how big Government prolongued the depression till
late in the '30s, even '50s, and how we still suffer the legacy of
Roosevelt"s National Recovery Act and big
government idea's today. A great 60 minutes podcast.
| Listen
tot the streaming audio below.
|
|
|
|
|
|
Freedom
and the
Great Depression: 
How
the Federal government caused economic collapse in the 1930s
By
Stefan
Molyneux
Listen
tot the streaming audio below.
|
|
Since it first appeared in 1963, it
has been the definitive treatment of the causes of the depression. The
book remains canonical today because the debate is still very alive.
Rothbard opens with a theoretical treatment of business cycle theory,
showing how an expansive monetary policy generates imbalances between
investment and consumption. He proceeds to examine the Fed's policies
of the 1920s, demonstrating that it was quite inflationary even if the
effects did not show up in the price of goods and services. He showed
that the stock market correction was merely one symptom of the
investment boom that led inevitably to a bust.
The Great Depression was not a crisis for capitalism but merely an
example of the downturn part of the business cycle, which in turn was
generated by government intervention in the economy. Had the book
appeared in the 1940s, it might have spared the world much grief. Even
so, its appearance in 1963 meant that free-market advocates had their
first full-scale treatment of this crucial subject. The damage to the
intellectual world inflicted by Keynesian- and socialist-style
treatments would be limited from that day forward.
Some Basic statistics during
the Depression
GDP Evolution during the Great Depression: a lost decade
Index of the NY Stoch exchange from 1926 to 1939



Some basic numbers
during
the Depression
| Year |
Nominal GNP |
% change |
Real GNP |
% Change |
CPI |
% Change |
M1 |
% Change |
M2 |
% Change |
Bank Failures |
Fail Deposits |
Interest rate |
Real Rate |
| |
(1) |
|
(2) |
|
(3) |
|
(4) |
|
(5) |
|
(6) |
(7) |
(8) |
(9) |
| 1920 |
88.9 |
11,93 |
73.3 |
-1.22 |
85.7 |
14.68 |
23592 |
9.80 |
34708 |
13.52 |
167 |
5.42 |
-9.26 |
|
| 1921 |
74.0 |
-18.34 |
71.6 |
-2.35 |
76.4 |
.11.49 |
20955 |
-11.85 |
32212 |
-7.46 |
505 |
172188 |
4.83 |
16.32 |
| 1922 |
74.0 |
0.00 |
75.8 |
5.70 |
71.6 |
-6.49 |
21618 |
3.11 |
33646 |
4.36 |
366 |
91182 |
3.47 |
9.96 |
| 1923 |
86.1 |
15.14 |
85.8 |
12.39 |
72.9 |
1.80 |
22653 |
4.68 |
36411 |
7.90 |
646 |
149601 |
3.93 |
2.13 |
| 1924 |
87.6 |
1.73 |
88.4 |
2.99 |
73.1 |
0.27 |
23226 |
2.50 |
37992 |
4.25 |
775 |
210151 |
2.77 |
2.50 |
| 1925 |
91.3 |
4.14 |
90.5 |
2.35 |
75.0 |
2.57 |
25362 |
8.80 |
41691 |
9.29 |
618 |
167555 |
3.03 |
0.46 |
| 1926 |
97.7 |
6.78 |
96.4 |
6,32 |
75.6 |
0.80 |
26082 |
2.80 |
43539 |
4.34 |
976 |
260378 |
3.23 |
2.43 |
| 1927 |
96.3 |
-1.44 |
97.3 |
| | | |